Wij houden de nachtwacht

Geschreven voor de korte verhalen wedstrijd voor NPO Masterclass. Van de 250+ inzendingen ben ik in de top 20 belandt om nog te strijden voor een wildcard. Deze wildcard is helaas naar een ander gegaan.

Thema: Ontmoeting

———————————————————————————

Hij legt zijn fles goedkope cola op de toonbank om vervolgens zijn handen nonchalant in zijn zakken te steken. Zijn huid licht op onder het rode led-licht bij de voordeur. Ik heb hem hier eerder gezien, stipt drie uur ‘s nachts met dezelfde boodschap. Een fles cola, een zakje Katja biggetjes en papieren bordjes. De jongeman leunt over de balie, op zoek naar een medewerker om hem te helpen. Als ik me achter hem aansluit, met mijn fles wijn en zak paprikachips, kijkt hij om, terug naar voren en dan weer naar mij. Zijn rossige haren vallen als eerst op, dan de grijze huid onder zijn ogen.

“Hij ging even wat achter zoeken,” stamelt hij. De eigenaar— hij bedoelt de eigenaar. Ik knik en grijns. We staan daar voor wat voelt als een paar minuten voordat hij diep zucht en zichzelf op de toonbank plaatst. De fles wijn begint in mijn armspier te drukken, een knagend gevoel dat ik weg probeer te wiebelen. De jongen op de toonbank glimlacht naar me, zijn jasje scheefhangend en zijn broek vaal gekleurd van ouderdom.

“Jij komt vaker hier. ‘s Nachts.”

Ik knik. “Jij ook.”

“Klopt, ik slaap niet zo goed.” Hij begint te lachen als ik in stilte naar hem blijf kijken, “Vreselijke nachtmerries. Van die dromen waarin je moet wegrennen van iets, maar je benen niet bewegen.” Hij imiteert de situatie jolig met zijn handen en zijn romp. Alsof hij vastgeplakt zit aan de toonbank maar heel hard probeert te vluchten. “En jij?”

“Ik-” slaak een diepe zucht. Ik gooi de zak chips op de toonbank en draai de dop van de wijnfles. Voordat ik er zelf een slok van neem bied ik hem er een aan. “Ik staar naar het plafond alsof ik tijd moet uitzitten als een gevangenisstraf. Had ik maar benauwende dromen, dan zou ik tenminste slapen.” 

“Wat is het dat je wakker houdt?”

Voor heel even twijfel ik. Waarom zou ik hem dit vertellen? “De volgende dag. De gedachte dat ik weer precies moet doen wat ik de dag ervoor ook deed.” Hij scheurt het hoekje van zijn zakje biggetjes open en neemt er twee in zijn mond. Vermoeid zak ik op het trapje van een kleine ladder achter me. “Man, ik ben het zo zat. Wachten tot mijn baas een nieuw to-do lijstje op mijn bureau legt zodat ik de hele dag niet na hoef te denken over wat ik moet doen. Dat vervolgens uitvoeren en dan om zeven uur thuiskomen in een leeg huis.” Zijn opgetrokken wenkbrauwen en mijn tikkende voet zijn alles wat achterblijft in de stilte. ”Sorry- dat was een beetje veel,” schud ik blozend. 

Hij grinnikt met zijn hoofd voorover gebogen. “Grappig. Dat leven wat jij beschrijft, daar probeer ik heel hard naartoe te rennen.”

Met mijn achterhoofd tegen de muur kijk ik naar hem op. De fles wijn komt inmiddels op 2/3. “Waarom zou je?”

“Ik word nergens aangenomen, behalve in supermarkten en suffe horecatentjes. Zonder diploma ben je niks waard en die bouwstenen heb ik helaas niet meegekregen.” Mijn blik valt op de papieren bordjes die hij op de toonbank heeft gelegd, misschien het enige wat hij kan betalen. “Ik woon op de zolderkamer van een verschrikkelijk lieve oude man. Voor een klein bedrag per maand en onderhoud in de tuin.”

“Wat wil je worden?”

“In een ideale wereld? Leraar. Ik zou kinderen willen leren over de wereld, iets van topografie ofzo?”

“Het is nooit te laat om te beginnen. Je komt over als iemand die alles wel op een rijtje kan krijgen. Charmant en charismatisch, twee goede eigenschappen voor een docent.” Zijn blik ontmoet de mijne, twee gebroken mannen tegenover elkaar. Mijn mondhoeken krullen, evenals de zijne. Hij heeft blosjes op zijn wangen. Na een paar seconden begint hij zijn hoofd licht te schudden.

“Voor even liet je het me geloven man,” een klein grijnsje ontsnapt aan zijn lippen. Hij knijpt zijn onderlip met twee vingers samen, ik kan er enkel naar staren. “Ik heb het geld niet, voor een opleiding en alles.”

“Ik kan het eens vragen— bij mijn baas bedoel ik. Of hij een baantje voor je heeft.” 

“Zo goed heb je je werk niet aan mij verkocht,” knipoogt hij.

“Het is het eindeloze vooruitzicht dat me opvreet. Twee jaar en je hebt genoeg om je studie te starten.” Ik wrijf over mijn bovenbeen. “En misschien hoef je dan ook niet meer te rennen in je nachtmerrie.” In de stilte die daarna volgt en de blik in zijn ogen neemt mijn ademhaling toe. Van 60, 61, 62 hartslagen per minuut, naar 75. “Maar ik begrijp het als het heel raar is om dit van een vreemde aan te nemen.”

“Nee, nee. Het is attent,” knikt hij. “Ik was gewoon aan het denken.”

“Over?”

“Over waarom jij wel nog die verschrikkelijke to-do lijsten afwerkt,” antwoordt hij met volle mond. “Misschien kun je coach worden. Of zoiets." Zijn hand gebaart in de lucht.

“Misschien.” 

“Misschien.”

Vanuit de gang klinkt gestommel. Onze hoofden schieten naar de deur, waar een kleine gezette man doorheen sprint. “Sorry, sorry! Er viel van alles en mijn collega— Kom snel.”

“Geen zorgen, wij hielden de nacht wacht.” De man drukt vurig de knoppen van de kassa in en vraagt de jongen om zes euro en dertig cent af te rekenen. Ondertussen stap ik op van mijn traptreden. Ik vermijd de blik van de medewerker als ik de halve fles wijn op de toonbank zet. De jongen steekt zijn hand uit. Warm en zacht.

“Jonas.”

“Damon.”

Jonas draait zich om en sjokt met één hand in zijn zak de deur uit. Met een blik over zijn schouder zegt hij, “misschien zie ik je nog eens om drie uur.”

“Ik hoop dat je dan slaapt.”

Met een grote glimlach verlaat hij de winkel en sjokt hij de straat in. Het gebrom van de koelkasten dreunt plots in mijn oren, de fles wijn hangt in mijn hand. Ik staar hem na.